Furgell Pansa

Ik wil groot zijn!

Ik wil groot zijn!

Ik wil geen strand zijn,
wanneer de golfslag weer streelt en weggaat;
ik wil een golf zijn die tegen rotsen aanbotst: “drammerig
weer in de stilte verkeren in een oogwenk.”

Ik wil geen vlam zijn van een lucifer,
maar een oliemijn vlammend als eeuwige zonne-
schijn. Ik wil geen dier zijn, ik wil een mens zijn tot in eeuwigheid!

Ik wil geen druppel zijn,
die je irriteert als je verlammend je slaap ingaat:
ik wil een waterval zijn die zich brommerig, bronstig
en overvloedig gedraagt. Ik wil geen vogel zijn, maar
een rovende arend, “die haar vleugels verspant tot
de uiteinden van de hemel.”

Ik wil geen viool zijn,
ik wil een drum zijn; die drumt door de aderen van
mijn volk. Ik wil geen zweep zijn, maar een bliksemslag
die verticaal en horizontaal verslindt.

Wens mij maar een beetje geluk:
dan kom ik met goud, zilver en diamanten hei.
Het is mij gelukt,
Ik ben een troubadour met een boodschap. “Een renaissance:
ik ben de opwekking, blinkende morgenster en de ochtend harpij.
Het gaat me goed,
maar pas op! ik ben een krijger die uitgezonden is door

een hogere macht; een beetje geluk, “dan bouw ik mijn eigen koninkrijk.”